Highlights 2025 over de Wet Bibob en andere inzichten

Voor Bibob-juristen was 2025 weer een interessant jaar met veel rechtspraak en voor mijzelf ook met enerverende zaken voor klanten. En ook het jaar dat ik mijn boek over intrekking en weigering van vergunningen onder de Wet Bibob afrondde, dat eind maart is verschenen bij Kluwer. Het was weer een mooie ervaring om een boek te schrijven. Actueel tijdens het schrijven was de alarmbel die geluid werd over zorgfraude waar in de media een prijskaartje van €10 miljard aan werd gehangen.[1] Dat riep in de Tweede Kamer vragen op over toepassing van die Wet Bibob die juist in 2020 was gewijzigd om ook in het zorgdomein integriteitstoetsing te kunnen doen. Ook viel mij op de noodroep van de burgemeester van Kerkrade die de rechtspraak over een geval in zijn gemeente niet accepteerde en aan de Minister vroeg de Wet Bibob te wijzigen. Dat roept ook de vraag op over effectiviteit van de Wet Bibob en hoe de overheid zelf tegen de wet aankijkt. Doet de wet wat ervan werd verwacht en waarvoor deze werd ingevoerd? Het WODC ‘Onderzoek aanpassingen en gebruik van de Wet Bibob sinds 2020’ dat eind 2025 is gepubliceerd, zal ik ook bespreken. Ik zal afsluiten met aanbevelingen welke ik met het schrijven van het boek ontwikkelde en als in praktische hints voor bestuursorganen heb geformuleerd.

Verbeterpunten bij toepassing van de Wet Bibob

In het boek heb ik mij ook kritisch geuit over gevallen waar de wet onterecht, onjuist of onredelijk wordt toegepast. Als ik die kritiek in vijf punten zou moeten samenvatten dan zou dat er als volgt uit zien:
Rigide wetstoepassing: ondernemers ervaren de toepassing van de wet als rigide, met als gevolg vertraging, onverwachte uitkomsten, transacties die verzanden en schadelijk zijn voor bonafide ondernemingen;
Geen tweede kans: een ondernemer die een keer de fout is ingegaan krijgt feitelijk geen tweede kans, het wettelijk kader en het bestuur staat geen coulance toe; eens een dief altijd een dief;
Vrijblijvend gebruik van feitenmateriaal: de vergunninginstantie of LBB gebruikt naar eigen keuze informatie uit processen-verbaal zonder daarbij een volledig beeld te (hoeven) geven (cherry-picking); ook als zaken zijn geseponeerd of met een transactie zijn afgedaan, wordt dat een betrokkene bij de Bibob-toetsing nagedragen;
Vage wetstermen leiden regelmatig tot interpretaties en het naar eigen inzicht formuleren van besluiten die op bezwaren stuiten en tot rechtsonzekerheid leiden;
Wetstoepassing met onevenredige gevolgen : hoewel proportionaliteit en subsidiariteit getoetst moeten worden, blijkt in de praktijk dat deze beginselen niet altijd even zorgvuldig worden toegepast, wat leidt tot onevenredige besluiten.

Het doel van de Wet Bibob

De Wet Bibob is bedoeld voor bepaalde branches met als doel (zware) criminaliteit aan te pakken en niet te faciliteren met vergunningen. Bij de laatste aanpassing van de wet is onder meer zorg, ICT en milieu toegevoegd. Dat heeft wat betreft zorgsector niet tot enig noemenswaardig effect geleid. Maar ook kan de vraag gesteld worden in welke branches helemaal geen integriteitstoetsing plaatsvindt en criminelen vrij spel hebben. Detailhandel is vergunningvrij en is een makkelijke outlet voor criminaliteit. Denk aan verkoop van illegale vape-producten en illegale sigaretten in tabakswinkels[2], het massale aanbod van illegale merkkleding,[3] illegale “medicijnen” en afslankmiddelen.[4] In de horecabranche moeten ondernemers steevast door de Bibob maar in de detailhandel geldt geen enkele preventieve vorm van toetsing. Dat roept natuurlijk vraagtekens op over de keuze voor branches waar de Wet Bibob voor moet gelden en deze keuze niet te beperkt is.

In het proefschrift Ernstig gevaar van Van der Vorm uit 2016 bespreekt hij in zijn nawoord naar aanleiding van zijn juridisch-empirisch onderzoek naar de aard, het doel en toepassing van de Wet Bibob of de wet voldoet aan de intenties van de wetgever bij invoering ervan.[5] Hij constateert onder meer dat de wet bedoeld is om georganiseerde misdaad te bestrijden maar gebleken is dat slechts in een beperkt aantal gevallen daar sprake van is. Het gaat doorgaans om minder zware gevallen van misdaad.  Eigenlijk zou de wet meer een instrument voor bestuurlijke preventie van misdaad moeten zijn, vooral ernstige strafbare feiten. Wel draagt de wet bij aan het voorkomen van misdaad in de gevallen waarin de bestuursrechter de besluiten ook in stand laat, en daarmee wordt dan ook de integriteit van de vergunninginstantie beschermd. Met het oog op het legitimiteitsbeginsel schiet de wet (ernstig) tekort wat betreft de geformuleerde bestanddelen als de formulering van de wet. De wet maakt daarmee inbreuk op de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. En dat roept de vraag op of niet een veel te zwaar middel wordt gebruikt voor (veel) minder zware gevallen dan beoogd was en daarmee ook onevenredige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer wordt gemaakt. Je kan je ook afvragen of de lat niet te laag is gelegd om op basis van een risico-inschatting over verdenkingen en veroordelingen sancties op te leggen zonder objectieve criteria. Moet de toepassing dan niet beperkt wordt tot ernstige strafbare feiten? Gelet op de gevolgen van bijvoorbeeld intrekking van een vergunning voor de betrokkene is dit mogelijk een criminal charge omdat de wet feitelijk een vorm van bestuursstrafrecht is, aldus Van der Vorm. Zijn overdenkingen en conclusies, hoewel van 10 jaar terug, zijn nog steeds actueel.

Verbetering van evenredigheidstoetsing

Proportionaliteit krijgt in de rechtspraak sinds de Harderwijk-uitspraak meer aandacht en leidt tot strengere toetsing door de bestuursrechter, al is dat niet altijd zichtbaar in gepubliceerde uitspraken.[6] Maar in beleid en besluitvorming moet evenredigheid beter ingebed worden om recht te doen aan de elementen van evenredigheid: geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid. De intrekking van een vergunning op basis van vermoedens, verdenking of strafbare feiten, als ware sprake van een (ernstig) strafbaar feit, is gelet op de quasi-strafrechtelijke toetsing met risico-inschatting, met de doorgaans (zeer) verstrekkende gevolgen voor de betrokkene, te kwalificeren als criminal charge: de straf van het direct beëindigen van een activiteit met verlies van inkomen.

Praktijk vraagt om maatwerk bij toepassing van de Wet Bibob

In de Bibobzaken die ik behandel zie ik dat de overheid er mee worstelt om maatwerk te leveren. Weigering of intrekking zijn de meest verstrekkende maatregelen, maar er is een scala aan alternatieven die minder verstrekkend zijn en evenredig toegepast kunnen worden. Het verbinden van voorschriften aan een vergunning, hetgeen ook mogelijk is zonder de Wet Bibob, levert wel maatwerk op, mits het om passende voorwaarden gaat. Soms kan ook volstaan worden met een waarschuwing aan een ondernemer of een normstellend informatief gesprek in plaats van gelijk een Bibob procedure te starten tegen een vergunninghouder. Omdat intrekking vaak de economisch doodstraf betekent voor veel ondernemers moet beter gekeken worden naar modaliteiten die recht doen aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Denk aan een proeftijd, of een tijdelijk intrekking of opschorting van de vergunning, of een (voorwaardelijke) bestuurlijke boete, een tijdelijke vrijwillige sluiting na een overtreding. In dat opzicht biedt de Wet Bibob te weinig smaken om maatwerk te leveren. Het bestuursrecht bied echter los van de Wet Bibob ook ruimte voor maatregelen als opschorten, een (voorwaardelijke) boete, dwangsom, voorwaarden aan de vergunning of nadere afspraken in een convenant met de ondernemer. En dat zou in het Bibob-beleid van een instantie opgenomen kunnen worden. Kortom, zoals mijn motto in de advocatuur luidt: het kan altijd beter.

Bibob kwaliteitscontrole

En hoe vindt de overheid zelf dat het gaat met de Wet Bibob in de praktijk? Daar wordt jaarlijks verslag van gedaan door Landelijk Bureau Bibob dat onderdeel uitmaakt van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. In het jaarverslag is ook de beoordeling van de Kwaliteitscommissie Bibob opgenomen. In het verlag van 2024 is onder meer het volgende geconstateerd:
• 79,8% van de adviezen van LBB is uitgebracht binnen de wettelijke adviestermijn
• de grootste gemeenten hebben over het algemeen meer capaciteit en expertise om eigen Bibob-onderzoeken uit te voeren
• het aantal beoordelingen met inhoudelijke opmerkingen van de kwaliteitscommissie is t.o.v. 2023 toegenomen van 30% naar 43%; opmerkingen gaan over de kwaliteit van de analyse, de zelfstandige leesbaarheid van het advies en de gevaarsconclusie
• bij 6 van de 42  beoordeelde adviezen heeft de Kwaliteitscommissie twijfels geuit over de gevaarsbeoordeling
• er wordt gewezen op de gebrekkige gegevensuitwisseling met andere landen. [7]

Evaluatie van de Bibob-wetswijzigingen vanaf 2020

Evaluatie van de wet heeft ook plaats gevonden in opdracht van het WODC. Deze publiceerde in oktober 2025 het rapport Onderzoek aanpassingen en gebruik van de Wet Bibob 2020.[8] De Wet Bibob is in 2020 en 2022 aangepast, maar die aanpassingen worden volgens de onderzoekers nog niet optimaal benut. Overheden kregen meer mogelijkheden om onderzoek te doen naar personen en organisaties, en om informatie met elkaar te delen. Overheden zetten de wet vooral in bij vergunningen. Dat gebeurt veel minder bij subsidies, vastgoedtransacties en vooral overheidsopdrachten, terwijl daar ook risico’s bestaan. De meeste gemeenten en alle provincies hebben Bibob-onderzoek gedaan sinds 2020, maar waterschappen en Rijksorganisaties gebruiken de wet nog bijna niet. Een gebrek aan kennis en capaciteit vormt het belangrijkste knelpunt bij het optimaal benutten van de wet en de aanpassingen, blijkt uit de evaluatie. Verdere uitbreiding van de Wet Bibob ligt op dit moment niet voor de hand, aldus de onderzoekers. Wel is het te overwegen om het toepassingsbereik van de wet uit te breiden naar persoonsgebonden budgetten. Het is vooral belangrijk dat overheden meer gaan doen met de mogelijkheden die de Wet Bibob nu al biedt. De effectiviteit van de Wet Bibob kan worden vergroot door de wet meer risico- en signaalgericht in te zetten. Dat leidt mogelijk tot een doelmatiger gebruik en kan daarmee capaciteitsproblemen bij de uitvoering van de wet helpen te verkleinen.
Als verbeteringspunten worden door de onderzoekers genoemd het verduidelijken en harmoniseren van de wettelijke basis voor gegevensverstrekking en het verruimen van de mogelijkheden tot gegevensverstrekking in het kader van het eigen onderzoek. Andere mogelijke verbeteringen zouden kunnen zijn het codificeren en nader uitwerken van bepaalde begrippen in de wet, zodat de wet beter aansluit bij bestaande jurisprudentie en meer houvast biedt voor bestuursorganen.

Fraude in het zorgdomein en de beperkte werking van de Wet Bibob in de zorg

De media-aandacht voor fraude in de zorg heeft de effectiviteit van de Wet Bibob in dit domein in beeld gebracht bij de Minister. Deze antwoordt naar aanleiding van Kamervragen dat de berichten in de media overtrokken zijn. Het genoemde fraudebedrag van tien miljard is een schatting waar geen sluitende onderbouwing voor is, maar het is helaas duidelijk dat het om veel geld gaat. Recente onderzoeken naar de omvang van de fraude geven een schatting dat er sprake zou zijn van 1 tot 10% fouten én fraude. Het is dus te kort door de bocht te stellen dat er 10 miljard verdwijnt in de zakken van criminelen, aldus de minister.[9] Kamerleden brengen bij de minister onder de aandacht dat het openbaar bestuur door aanpassing van de Wet Bibob sinds 5 jaar zorgondernemers kunnen toetsen op mogelijk criminele activiteiten. Toch zijn er sinds 2020 maar 16 aanvragen gedaan bij het Landelijk Bureau Bibob. De Minister herkent het beeld dat gemeenten beperkt gebruik maken van de mogelijkheden die Wet Bibob biedt om zorgaanbieders te toetsen. Een eenduidige verklaring is volgens de Minister niet voorhanden. De toepassing van de Wet Bibob is een autonome bevoegdheid van iedere gemeente. Het Landelijk Bureau Bibob en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geven voorlichting aan de gemeenten om de bekendheid en het gebruik van de Wet Bibob te bevorderen.[10] De Wtza, die per 1 januari 2022 van kracht werd, speelt een belangrijke rol in de toepassing van de Wet Bibob in de zorg. Maar ook deze wet heeft geen aantoonbare rol gespeeld in het voorkomen van fraude. De Minister verwijst ook nog naar de Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg (Wbsrz) die per 1 januari 2025 in werking is getreden, en meldt dat ook per 1 januari 2025 de vergunningplicht van de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) is uitgebreid naar alle zorginstellingen, dus ook de kleine instellingen.
Van de bestaande wetten (Bibob en Wtza) is evident onvoldoende gebruik gemaakt door de bevoegde instanties. In het zorgdomein heeft deze integriteitswetgeving derhalve niet gedaan wat beoogd was met deze wetgeving. En dan wordt het doel van de wet(ten) niet bereikt.

Klachten van burgemeesters over Bibob-rechtspraak Raad van State

Vanuit een andere hoek van het openbaar bestuur werd ook alarm geslagen en wel door de gemeente Kerkrade en enige andere gemeenten. In een brief aan de Minister worden zorgen geuit over de gevolgen van een recente uitspraak van de Raad van State voor de toepassing van de Wet Bibob.[11] Volgens de gemeente beperkt de uitspraak de mogelijkheid om bij vergunningverlening de rol van verhuurders te betrekken in de toets van het zakelijk samenwerkingsverband. Hierdoor zouden criminelen via huurconstructies panden kunnen gebruiken voor criminele activiteiten, zonder dat gemeenten daar bestuursrechtelijk tegen kunnen optreden. In de gemeente Kerkrade werd een vergunning geweigerd aan een horeca-exploitant omdat de burgemeester meende dat de verhuurder onderdeel uitmaakt van het zakelijk samenwerkingsverband en dat een ernstig gevaar opleverde. De gemeente verzoekt het ministerie om de jurisprudentie te volgen en, indien nodig, de Wet Bibob aan te passen zodat verhuurders expliciet als bijzondere vorm van zakelijk samenwerkingsverband worden opgenomen. De brief is medeondertekend door andere gemeenten uit de provincie Limburg. In feite stellen deze gemeenten dat de Wet Bibob tekortschiet, maar daar moet wel bij gezegd worden dat de burgemeester van Kerkrade zelf de procedure verloor bij de Raad van State, nadat hij eerder door de rechtbank in het gelijk was gesteld. De hoogste bestuursrechter meent in de uitspraak dat de burgemeester niet heeft voldaan aan zijn vergewisplicht, die hem verplicht te beoordelen of het advies van het LBB en het daartoe ingestelde onderzoek naar de feiten op zorgvuldige wijze tot stand gekomen is en of de feiten de conclusies kunnen dragen. Hij wil dit kennelijk niet accepteren en vraagt daarom de Minister dit op te lossen, eventueel met een wetswijziging. Dit is een zorgelijk signaal omdat de burgemeester een uitspraak van de hoogste bestuursrechter niet accepteert en daarmee het functioneren van onze rechtstaat bekritiseert voor een lokale kwestie in zijn gemeente. Het lijkt erop, ook omdat de vergewisplicht niet serieus is toegepast, dat de burgemeester de Wet Bibob wil gebruiken om horecaondernemers te weren die hem niet welgevallig zijn. En daar is de wet natuurlijk niet voor bedoeld. Ik heb oneigenlijk gebruik van de wet in dit boek al aangestipt en dit voorval bevestigt dat dit een aandachtspunt blijft.
En daarnaast is het kritiek op de Wet Bibob dat deze niet zou voldoen, met de ondertoon dat de wet makkelijker zou moeten kunnen worden toegepast in dit soort gevallen. In een andere zaak kwam de Raad van State tot eenzelfde oordeel.[12] Het gaat om de kring van personen die tot een zakelijk samenwerkingsverband gerekend kan worden. Daarbij moet het gaan om feiten en omstandigheden die in onderlinge samenhang bezien voldoende grondslag bieden voor het oordeel dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten (art. 3 lid 2 en onder a Wet Bibob). Het is aan de rechter om erop toe te zien dat de wet op dit onderdeel correct wordt toegepast. De rechter meent dat de enkele relatie van een vergunninghouder met de verhuurder van wie hij de bedrijfsruimte met inventaris huurt onvoldoende is om van een zakelijk samenwerkingsverband te spreken. Daarmee wordt voor het lichtvaardig toepassen van de Wet Bibob een stokje gestoken. Het lijkt erop dat de minister de geuite kritiek heeft gerelativeerd door ermee te volstaan vooralsnog niet in te gaan op het verzoek om de Wet Bibob te wijzigen en de burgemeester mee te delen dat hij de jurisprudentie van de Raad van State zal blijven volgen.

De moeizame relatie van de Wet Bibob met horeca en coffeeshops

Veel Bibob-zaken hebben betrekking op horeca en coffeeshops. Een groot deel van de voorlopige voorzieningen die gevraagd worden betreffen ook horeca-ondernemers die door intrekking van hun vergunning hun inkomen kwijt dreigen te raken. In mijn praktijk maak ik dat van dichtbij mee en als je alle feiten dan hebt beoordeeld dan zie je dat er vaak geen maatwerk wordt geleverd. Er wordt best makkelijk naar het ultimum remedium van intrekking gegrepen. Het is goed om te zien dat een gemeente in een horecakwestie die ik behandelde zich na de aankondiging van het voornemen openstelt voor overleg onder meer over nadere maatregelen in de bedrijfsvoering. Het overleg, dat enige maanden in beslag nam, leidde ertoe dat het voornemen werd ingetrokken en met verse afspraken kon de exploitatie voortgezet worden. Het was voor mij wederom een bevestiging dat de wet het zwart-wit denken bevordert, alsof er maar één smaak is: dit gaat niet goed dus we gaan maar intrekken. Werkloosheid, ontslag van personeel en andere kosten maken een faillissement reëel bij een intrekkingsscenario maar voor een bestuursorgaan zijn het eigenlijk geen tastbare overwegingen in dat traject. Vandaar de aanbevelingen die ik doe voor beter maatwerk met de gedachte dat er evenredige wegen naar een veilig Rome leiden.

Aanbevelingen voor betere toepassing van de Wet Bibob

Beperking van de toepassing van de wet alleen bij ernstige strafbare feiten

Om te voorkomen dat overheidsinstanties “als strafrechter” verstrekkende sancties als intrekking van een vergunning opleggen bij minder zware strafbare feiten dient de wet beperkt te worden tot gevallen waar sprake is van ernstige strafbare feiten.[13]

Beoordelingsgesprek voorafgaande aan besluit


Het bestuursorgaan dat in een Bibob-traject, na voldoende geïnformeerd te zijn, tot een negatieve beoordeling komt, en van mening is dat sprake is van ernstig gevaar, voert met de betrokken voordat een besluit wordt genomen een beoordelingsgesprek waarin aan de orde komt:
• welke feiten en omstandigheden tot de gevaarbeoordeling leiden
• indien dat bijvoorbeeld aspecten zijn die de bedrijfsvoering betreffen de betrokkene wordt voorgehouden wat er gewijzigd zou kunnen worden aan de organisatie/bedrijfsvoering
• de mogelijkheid of de feiten en omstandigheden die ernstig gevaar opleveren zijn weg te nemen door wijzigingen in de bedrijfsvoering of voorschriften aan de vergunning
• bij constatering van een  mindere mate van gevaar een beschikking met daaraan verbonden voorwaarden kan worden gegeven die eerst  aan de betrokkene worden voorgehouden.
>  na het gesprek krijgt de betrokkene een periode van 6 weken om zijn organisatie/bedrijfsvoering aan te passen en daarvoor een plan van aanpak maken, eventuele voorschriften te beoordelen, dan wel te overwegen of hij de aanvraag wil intrekken.

Alternatieve modaliteiten voor intrekking

Indien alleen sprake is van vermoedens dat een vergunning mogelijk gebruikt wordt om strafbare feiten te plegen dient beoordeeld te worden of
– intrekking voor een bepaalde duur kan geschieden, bijvoorbeeld voor 3, 6 of 12 maanden,
– aan de vergunning een proefperiode wordt verbonden
– bij een lichte overtreding het bedrijf vrijwillig 1 week de deuren sluit.[14]

Verzwaarde motiveringsplicht bij risico-inschatting op basis van vermoedens

Indien een instantie meent dat op basis van de a-grond strafbare feiten mede gepleegd zullen worden met de beschikking dan dient ter onderbouwing van de kans dat dat gebeurt daaraan een soortgelijke afweging van die kans daarvan gemaakt te worden als bij de kans op recidive, derhalve door middel van een gestructureerd professioneel oordeel zoals bijvoorbeeld OXREC dat Reclassering Nederland gebruikt.[15]

Verzwaarde motivering subsidiariteit

Bij alle besluiten op basis van de Wet Bibob die tot intrekking of weigering leiden geldt een verzwaarde motiveringsplicht die kenbaar moet zijn in het besluit met een steekhoudende toelichting waarom een minder verstrekkende maatregel niet mogelijk zou zijn.

Kenbare motivering 3-trapstoetsing evenredigheid

De 3-traps evenredigheidstoetsing dient zowel in Bibob-beleid als besluitvorming op basis van de Wet Bibob altijd op kenbare wijze gemotiveerd te worden.


[1] Onder meer: https://www.ftm.nl/tag/zorgfraude, en ‘Tien miljard aan zorggeld eindigt in zak criminelen’, 13 juni 2025, telegraaf.nl

[2] https://www.parool.nl/amsterdam/harddrugs-en-622-illegale-vapes-gevonden-bij-tabakswinkel-in-oud-zuid-22-jarige-eigenaar-aangehouden; https://www.nvwa.nl/nieuws-en-edia/nieuws/2025/07/10/nvwa-neemt-80.000-illegale-vapes-in-beslag; https://www.politie.nl/nieuws/2025/mei/3/07-illegale-sigaretten-vapes-en-verboden-medicatie-aangetroffen-tijdens-controle-in-rotterdam-west.html

[3] https://www.kijkopzuid-holland.nl/grote-hoeveelheid-vermoedelijk-nep-merkkleding-en-verboden-goederen-aangetroffen-bij-integrale-controle/

[4] https://www.omroepwest.nl/nieuws/4943816/illegale-viagra-en-afslankthee-supermarkt-gesloten-na-inval

[5] Wolf Legal Publishers, 2016, p. 421

[6] Raad van State, 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285

[7] Kamerstukken 2025, 31 109, nr. 35 Evaluatie Wet BIBOB

[8] WODC rapport Onderzoek aanpassingen en gebruik van de Wet Bibob sinds 2020, oktober 2025, Prof. dr. Heinrich Winter, mr. drs. Mark Beukers, mr. Tinka Floor, mr. Joachim Bekkering, Jeanne Cazemier Msc, Matthias Wieringa LLB, prof. dr. mr. Albertjan Tollenaar, mr. dr. Benny van der Vorm.

[9] Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, aanhangsel van de handelingen, nr. 3014, vragen van het lid Dijk

[10] Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, aanhangsel van de handelingen, nr. 135, n.a.v. vragen d.d. 27-8-2025 van de leden Westerveld, Bushoff en Slagt-Tichelman

[11] Raad van State, 22 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:214

[12] Raad van State, 27 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4128

[13] Vergelijkbare suggestie van Van der Vorm, p.444

[14] Vergelijk convenant van burgemeester Van der Laan met coffeeshophouders in Amsterdam die vrijwillig een week dicht gaan als zich een geweld- of schietincident voordoet

[15] OrxRec is ontwikkeld door de University of Oxford (Forensic Psychiatry and Psychology Group) als een instrument om het risico op recidive te schatten (zowel algemeen als geweldsrecidive). Het instrument, een software/algoritmisch hulpmiddel, levert een getal of percentage voor de kans op recidive binnen een bepaalde periode (bijv. binnen 2 jaar) op basis van bepaalde invoer-variabelen.

Gerelateerde berichten