Als een tijdelijk vergunning afloopt, bijvoorbeeld een horeca-exploitatievergunning, dan moet de vergunninghouder tijdig een nieuwe vergunning aanvragen. Dan kan er een Bibob-onderzoek gestart worden door de vergunninginstantie. Dat merkt de aanvrager als er een Bibob-formulier wordt toegestuurd. Dat Bibob-onderzoek kan de nodige tijd in beslag nemen, soms wel maanden, en de vergunning aanvraag ligt dan stil. Daarom moet verlenging van een tijdelijke vergunning tijdig aangevraagd worden!
Nieuwe vergunning aanvragen en Bibob-onderzoek
Sommige vergunningen, bijvoorbeeld schaarse vergunningen zoals een vergunning voor een coffeeshop, maar ook horeca-exploitatievergunningen zijn doorgaans tijdelijk.[1] De vergunninginghouder moet dan soms elke drie of vijf jaar opnieuw een vergunning aanvragen.[2] Dat betekent dat er een nieuwe aanvraag ingediend moet worden voordat de vergunning afloopt Iedere aanvraag heeft een bepaalde behandelingsduur, dat is doorgaans 8 weken, maar bij vergunningen waarop de Wet Bibob van toepassing is, kan dat (veel) langer duren. De beslistermijn van een aanvraag wordt namelijk opgeschort zolang het Bibob onderzoek loopt. Indien de nieuwe vergunning niet tijdig is aangevraagd kan de lopende vergunning dus zijn geldigheid verliezen, en dat is geen wenselijke situatie. Als ondernemer wil je natuurlijk niet dat de zaak dicht moet tot dat de nieuwe vergunning is verleend.
Toetsing van het levensgedrag van de exploitant
Overigens is er bij verlenging van een horecavergunning nog een toetsingscriterium, de aanvrager moet van goed levensgedrag zijn. Dat is doorgaans geregeld in APV van de gemeente en ook in de Alcoholwet. Deze wet bepaalt dat leidinggevenden van het horecabedrijf niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mogen zijn. Deze vage term is ruim en weinig concreet en dat leidt regelmatig tot rechtszaken. De toetsing aan dit criterium en de criteria van de Wet Bibob lopen hierbij door elkaar heen. Als slecht levensgedrag wordt vastgesteld dat vindt de afweging meestal plaats in Bibob-termen: bedrijfsvoering en het levensgedrag van de eigenaar leveren een gevaar op voor de openbare orde en een bedreiging vormen voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf.[3] Voorbeelden van slecht levensgedrag zijn:
• leidinggevende niet aanwezig in het horecabedrijf;
• organiseren van illegale kansspelen in de horecagelegenheid
• betrokkenheid bij een hennepkwekerij
• strafrechtelijk veroordeling, ook indien nog herroepelijk
• het niet op orde hebben van de bedrijfsvoering
Landelijk Bureau Bibob (LBB) kan om advies gevraagd worden
Indien door de vergunninginstantie Bibob-advies wordt gevraagd aan het Landelijk Bureau Bibob op grond van artikel 9 Wet Bibob dan wordt de wettelijke behandeltermijn van een aanvraag opgeschort (art. 31 Wet Bibob). Het landelijk Bureau Bibob brengt op grond van artikel 15 Wet Bibob binnen 4 weken (+ maximaal 4 weken verlenging) advies uit aan het bevoegd gezag. Maar het kan ook langer duren is mijn ervaring. Het Landelijk Bureau Bibob zal de gemeente in kennis stellen wanneer zij de adviestermijn verlengen. De gemeente zal de aanvrager hiervan op haar beurt in kennis stellen. Tijdens het onderzoek is de behandelingstermijn van de vergunning opgeschort.
Na afloop van deze opschortingstermijn dient het bevoegd gezag binnen de wettelijke beslistermijn, die dan weer loopt, te beslissen op de aanvraag.
Geen automatische verlenging van een vergunning
Het is niet vanzelfsprekend dat een vergunning wederom word verleend. Er kan immers sprake zijn van nieuwe regelgeving en nieuw beleid in vergelijking met het tijdstip waarop de lopende vergunning is verleend. Het kan ook zijn dat de aanvrager niet door de Bibob-toetsing heen komt. Het kan geen kwaad dat de aanvrager zich in het juridisch kader verdiept waaraan de aanvraag zal worden getoetst. En als er zich tijdens de lopende vergunningperiode incidenten hebben voorgedaan dan kan dat in aanmerking genomen worden bij en beoordeling van de nieuwe aanvraag. Zo werd de verlenging van de exploitatievergunningen twee horecazaken geweigerd omdat door het verlengen het woon- en leefklimaat in de omgeving van de ondernemingen en de openbare orde en de veiligheid nadelig worden beïnvloed. Er was sprake van meerdere feiten zoals, terrasovertredingen, een onderzoek naar valsheid in geschrifte, misbruik van NOW-subsidiegelden, een valselijk opgemaakt geldleningsovereenkomst, e.d.[4] De verlening van de vergunning van een beveiligingsbedrijf werd afgewezen vanwege medeplichtigheid aan een misdrijf.[5]
Maar ook hier geldt dat het kan gebeuren dat de vergunninginstantie het soms bij het verkeerde eind heeft. De vergunning van restaurant La Forge in Amsterdam werd onterecht niet verlengd zo bepaalde de rechter omdat geen ernstig gevaar bestond (A-grond). Het advies van LBB gaf nota bene aan dat niet langer sprake is van ernstig gevaar als bedoeld in de A-grond, en de burgemeester sloeg dat ten onrechte in de wind. De weigering van de verlenging van de exploitatievergunning werd door de rechter ongedaan gemaakt.[6]
Nieuwe vergunning nog niet verleend – vergunningloze periode
Het kan gebeuren, zo blijkt uit de uitspraak waarbij de exploitant van een coffeeshop in afwachting was van zijn vergunning voor de nieuwe locatie van de shop, dat de lopende vergunning afloopt maar ondertussen niet open mag blijven op de oude locatie totdat de nieuwe vergunning er is. De gemeente was in afwachting van het advies van LBB. De gemeente hield de exploitant aan de expiratiedatum van zijn lopende vergunning. Er mocht niet na die datum gebruikt gemaakt worden van de vergunning. Daarom stapte de exploitant naar de rechter. Deze bepaalde het volgende: “de ondernemer heeft gewacht met het indienen van de verlengingsaanvraag, terwijl zij wist dat de geldigheidsduur van de huidige vergunning per 1 januari 2025 zou verstrijken. Daarmee heeft zij zichzelf in de positie gebracht waarin zij zich nu bevindt. Het stond haar in ieder geval in juridisch opzicht vrij wél eerder een aanvraag in te dienen, waar de gemeente gehouden was op te beslissen. Tegen het eventueel niet in behandeling nemen van de aanvraag of de afwijzing daarvan hadden alsdan bestuursrechtelijke rechtsmiddelen kunnen worden ingesteld. De gemeente heeft dan ook, gelet op onder meer de bescherming van de openbare orde, een belang bij het afwachten van het resultaat van de beoordeling door het LBB.”[7]
het kan ook gebeuren dat de aanvraag voor de vergunning buiten behandeling wordt gesteld omdat de aanvrager niet tijdig of volledig heeft meegewerkt aan het Bibob onderzoek. Dan kan het zijn dat de oude vergunning inmiddels is verlopen en de aanvrager alles in het werk moet stellen om de aanvraag weer te activeren. Dat gaat soms niet goed en dan rest nog de mogelijkheid een voorlopige voorziening te vorderen dat de exploitant open mag blijven alsof hij in het bezit is van een exploitatievergunning. De rechter kan dat toewijzen indien deze van oordeel is dat het belang van de exploitant zwaarder weegt dan het belang van de vergunninginstantie.[8]
Verlenging van een vergunning ruim van te voren aanvragen
Dat betekent dat een ondernemer zeer ruim voor de afloop van de geldigheidsduur van een vergunning de nieuwe vergunning moet aanvragen, vooral als een Bibob onderzoek onderdeel van de vergunningprocedure is. En dat is voorzienbaar bij een horecavergunning, exploitatievergunning voor een coffeeshop, vergunning voor een evenement of vechtsportgala, e.d. Het staat een ondernemer in juridisch opzicht vrij veel eerder een aanvraag in te dienen, waar de gemeente gehouden was op te beslissen. En gelet op de uitspraak die ik hierboven noemde is dat ook verstandig om te doen. Er gelden immers de wettelijke beslistermijnen. Tegen het eventueel niet in behandeling nemen van de aanvraag of de afwijzing daarvan kunnen dan tijdig bestuursrechtelijke rechtsmiddelen worden ingesteld.
Bronnen
(1) Artikel 12 Dienstenrichtlijn en artikel 33 lid 4 en 5 Dienstenwet bepaalt dat in gevallen waarin het aantal vergunningen beperkt is vanwege schaarste voor een passende beperkte duur moet worden verleend en niet automatisch mag worden verlengd
(2) Rechtbank Noord-Holland, 9 juni 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:6024
(3) Zie bijvoorbeeld Rechtbank Amsterdam, 29 maart 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:2214
(4) Rechtbank Amsterdam, 28 december 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:8576
(5) Rechtbank Overijssel, 24 januari 2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:169
(6) Raad van State, 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4076
(7) Rechtbank Noord-Holland, 7 januari 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:29
(8) Rechtbank Amsterdam, 18 februari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:974